Het hart warm, en de kaarten op tafel!

This entry was posted Friday, 21 June, 2002 at 11:00 am

een ongehoord inhoudelijk alternatief voor D66.

Inleiding

Het rommelt in politiek Nederland, het rommelt binnen D66. De afgelopen kamerverkiezingen met de resulterende aardverschuiving vormen het sluitstuk van een roerig parlementair jaar. Het bracht 11 september, de war-on-terrorism, een dreigende economische teruggang, het aftreden van het kabinet op de valreep over het drama in Srebrenica, onvrede over gaten die Paars heeft laten vallen in de publieke sector van dit land, onvrede over de migratieproblematiek en een vermeend gebrek aan veiligheid. Als katalysator voor de sluimerende onvrede in de maatschappij werkte Pim Fortuyn die de belofte bracht van nieuwe politiek. De kiezer meende in hem een politicus te herkennen zoals die vurig gewenst werd: gepassioneerd en transparant, wars van bureaucratisering en met een gewillig oor voor wat er speelt in de samenleving. Hij wist deze rol perfect te spelen tot het moment van de tragische moord, vlak voor de verkiezingen. Dit alles bracht een uitslag waarin alle paarse partijen zwaar verloren en de nieuwkomer LPF 26 zetels haalde. Daarnaast wist het CDA tot verrassing van velen met afstand de grootste partij van het land te worden, dit terwijl de CDA oppositie ten tijde van Paars toch vrij kleurloos was geweest en er in de zomer nog een leiderschapscrisis was die door de buitenwacht met verbijstering en verbazing werd gadegeslagen. Kennelijk was het CDA in de onzekere situatie na de moord op Fortuyn voor velen een haven voor veiligheid en stabilitiet. De gezamelijke linkse partijen zijn teruggeworpen op een zetelaantal van 49 en likken hun wonden.

In dit pamflet geef ik in het kader van het platform Ongehoord! mijn visie op de situatie binnen D66. Het wil een inleiding zijn in en een aanzet tot de vernieuwingsdiscussie en tevens een reactie op de reeds verschenen pamfletten van de Jonge Democraten en het Landelijk Bestuur.

Vernieuwing.

Hoe nu verder, klonk al snel de vraag bij de verliezers. Bij de VVD en de PvdA traden de lijstrekkers af, GroenLinks treurt over de in een ommezien gesmolten voorspelde winst en de PvdA worstelt openlijk over de samenstelling van de gehalveerde fractie. Ook de D66 fractie is gehalveerd maar daar lijkt ogenschijnlijk een zekere gelatenheid te bestaan. Regeringsdeelname leidt immers altijd tot verlies en dat wordt in de oppositie wel weer goedgemaakt. Dat is nu echter zeer de vraag en de matheid in de partij is schijn. Het bruist en borrelt aan de basis. Uit diverse hoek komen vernieuwingsgeluiden, de Jonge Democraten komen met een pamflet en het Landelijk Bestuur volgt hen snel. En er is Ongehoord!, een groep die door Van Boxtel idioot genoeg als ‘klein’ wordt weggezet maar waar frisse geesten zich over de toekomst buigen en die veel steunbetuigingen ontvangt.

Hamvraag in deze vernieuwingsdrang is natuurlijk wat er vernieuwd moet worden en hoe. De organisatie? De profilering? De fractie? Naar mijn mening toch vooral de inhoudelijke positionering. We hebben vooral verloren doordat progressieve kiezers te weinig van de door hen belangrijk gevonden zaken bij ons terugvonden. We hebben de stempels middenpartij en bindmiddel ons teveel laten aanleunen en ons teweinig gerealiseerd dat onze kroonjuwelen voor de kiezer zelden de doorslaggevende factor in hun stemkeuze zijn. Ik kom daar verderop op terug, eerst wil ik de door de Jonge Democraten en het Landelijk Bestuur gelanceerde pamfletten in dit licht bezien.

Het pamflet van de Jonge Democraten.

Nadat op 2 juni de initiatiefnemers van Ongehoord! in Utrecht voor het eerst de koppen bij elkaar steken zijn het de Jonge Democraten die op 6 juni het eerst naar buiten treden, en wel met het pamflet ‘D66 moet haar lesje leren!’. Het wil een aanzet zijn voor ingrijpende interne vernieuwing van D66. De ondertitel moet op de schop, er moet een centrale leus komen, de fractie moet plannen schrijven, er moet geleerd worden van de actiebereidheid bij de SP en D66 moet niet langer blijven steken in het eindeloos geleuter over staatsrechtelijke vernieuwing.

Het is een gezonde zaak dat de Jonge Democraten vernieuwingspamfletten schrijven en deze werd dan ook enthousiast ontvangen door partijvoorzitter Gerard Schouw. Toch valt er naar mijn mening wel het een en ander af te dingen van het pamflet. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt me al wanneer ik in de openingalinea’s veelvuldig de term ‘radicaal’ tegenkom, en niet alleen als adjectief voor democratisering. Ik bewijfel oprecht of deze term nog altijd een prominente plaats moet hebben. Weinig kiezers zullen zich herkennen in D66 als radicale partij en zien ons veeleer als redelijk en genuanceerd. De in het pamflet volgende beschouwing over de behoeftepiramide van Maslov lijkt echter terecht en de relativering van de rol van onze kroonjuwelen steun ik dan ook.

Waar ik aanzienlijk minder mee uit de voeten kan is de paragraaf over onze ondertitel en onze positionering. Uit de tekst en de bijbehorende bijeenkomst klonk de suggestie dat D66 de komende periode tegen de VVD moet gaan aanschurken, vanuit de gedachte dat D66 de enige echte liberale partij van Nederland is. Welnu, dat lijkt mij niets, ookal zijn wij de ware liberalen. Met de komst van de LPF, in zekere zin een rechtse variant van D66, en een kabinet CDA-VVD-LPF valt er ter rechter zijde weinig te halen. We zullen het moeten hebben van progressieve oppositie ookal zal dat niet meevallen. De crisis binnen D66 is nog nooit zo groot geweest: tegenover de centrum-rechtse coalitie staan vier linkse oppositiepartijen waarvan D66 niet alleen de kleinste is maar in de ogen van de kiezer ook de minst linkse (dat laatste echter wel onterecht want dat is inmiddels de PvdA). ‘Maar wat is links, dat is toch achterhaald?’ werd mij overigens voor de voeten geworpen op de Jonge Democraten bijeenkomst. Ik kom daar verderop op terug.

Wanneer we dit geconstateerd hebben moge het duidelijke zijn dat we niets kunnen met het wijzigen van de ondertitel in ‘liberaal-democratisch’. Het doet teveel aan de VVD denken en accentueert bovendien onze democratiseringsvoorstellen nog eens, iets wat we juist minder moeten gaan doen. Inderdaad was de ondertitel ’sociaal-liberaal’ een paar jaar geleden niet de meest gelukkige. Het suggereert, weliswaar ten onrechte, dat onze stroming niet meer is dan een synthese tussen socialisme en liberalisme en dat zij zich vooral beperkt tot een middenpositie op sociaal-economische onderwerpen. Mede daar vrijzinnig-democratisch zijn eigen bezwaren heeft (onbekend, moeilijk) lijkt links-liberaal veruit de beste keuze. Het blijft daarmee duidelijk dat we ons ter linker zijde van het spectrum bevinden, het biedt een eigen positie die bovendien in een internationale traditie past. Nu Opschudding ons echter (terecht!) slechts enkele jaren terug van een ondertitel heeft voorzien is het de vraag of we die nu weer moeten wijzigen.

Een andere reden waarom de Jonge Democraten de term liberaal-democraten kiezen is omdat ze menen dat de kiezer gewonnen dient te worden met de nadruk op persoonlijke keuzevrijheid. Daar komt dus weer die democratiseringsgedachte opdagen. De door de Jonge Democraten voorgestelde leus ‘Zelf Kunnen Kiezen’ moet maar eens een tijdje de ijskast in .

Rest me wat betreft het Jonge Democraten pamflet de punten over door de fractie te schrijven plannen en het omvormen van het secretariaat tot actiecentrum naar voorbeeld van de SP. De fractie schrijft natuurlijk allang plannen, het gaat er om wat daar in staat en hoe ze verkocht worden. D66 als actiepartij, ook daar kom ik verderop op terug.

Het pamflet van het Landelijk Bestuur.

Na het pamflet van de Jonge Democraten en de aankondiging van het platform Ongehoord! verscheen op 14 juni het vernieuwingspamflet van het Landelijk Bestuur onder de titel ‘Het hoofd koel, maar met de vuist op tafel!’ (tevens de titel van de toespraak van ds. Gremdaat op het laatste congres). Het is een lijvig stuk dat begint met het noemen van een paar nogal arbitraire redenenen voor het geleden verlies. Er wordt geklaagd over de nadelen van de middenpositie, een positie waar de partij eerst braaf in is gaan zitten. De grote makke van het stuk in zijn geheel lijkt me het totaal gebrek aan visie en ideeën omtrent de inhoudelijke koers en positionering van de partij. Waar staan we en waar willen we naar toe? Alle 21 voorstellen betreffen organisatorische en huishoudelijke zaken. Het stuk wil niet verzanden in grootse en meeslepende concepten over de toekomst van onze vereniging. “Wie alles met alles wil verbinden maakt weinig vorderingen.”, lezen we. Welnu, wie niets met niets verbindt gaat nergens heen. Ter verdediging van het stuk kan eventueel gesteld worden dat het praten over de inhoudelijke koers ook niet direct op het bordje van het bestuur ligt.

Kijkend naar de voorstellen van het stuk is er toch een aantal dat de nodige vraagtekens oproept. Ten eerste de paragraaf over het Wetenschappelijk Bureau. Het komt op mij over als een zinloze energiebesteding aan herschikkingen en hernoemingen. De werkgroepen, waarvan de voeding de laatste jaren al aan banden was gelegd, worden afgeschaft ten faveure van een website met virtuele ateliers. Kom nou toch, een website is een ondersteunend instrument, meer niet. Webdiscussiefora zijn soms nuttig maar laten zich moeilijk vertalen in een tastbaar resultaat. Bovendien is er in de vorm van de e-mail discussielijst al jaren een instrument dat functioneert als antenne voor signalen uit de vereniging en als plaats waar ieder zijn of haar analyses kwijt kan. En nogwel ongemodereerd ook. De in Kenniscentrum omgedoopte SWB moet het een voorstel verder toch niet geheel zonder werkgroepen doen, die worden namelijk getransformeerd tot themagroepen. En ook de SWB blijkt niet echt overbodig want er komt een Wetenschappelijk Raad voor in de plaats. Waarom toch allemaal?

Ten tweede is er het concept Debatforum 66. Er wordt, en ik denk terecht, een behoefte gesignaleerd aan een manier om het inhoudelijke debat te stimuleren en te faciliteren. Echter, zoals een en ander door het Landelijk Bestuur naar voren wordt gebracht lijkt het me dat men veel te veel van internet verwacht. Het internet is niet zaligmakend en geen quick-fix voor een gebrek aan debat. Mij lijkt dat er gewoon behoefte is aan met regelmaat georganiseerde politieke bijeenkomsten in het midden van het land. Daar kunnen dan deskundigen een inleiding geven waarna er over het voorliggende thema gediscussieerd kan worden, bij voorkeur met deelname van het portefeuille houdende kamerlid. Een website kan vervolgens dienen voor het plaatsen van verslagen en agenda’s en aanvullende opmerkingen van geinteresseerden, meer niet.

In de derde plaats: er wordt voorgesteld het secretariaat voortaan als Servicecentrum de boer op te sturen, met voor de derde maal de mantra van de interactieve website. Zullen we het maar gewoon bij het Landelijke Secretariaat houden en ons de kosten en moeite besparen?

Tenslotte heb ik moeite met wat er over lokale afdelingen en lokale leden wordt geopperd. Afdelingen zouden nogal eens verzoeken een lokale naam te mogen gebruiken. Het Landelijk Bestuur wil dat nu faciliteren maar het D66 gedachtegoed moet wel ondubbelzinnig onderschreven worden. Dan kunnen ze toch ook de naam hanteren? Als mensen niet onder onze vlag willen opereren heeft de partij er weinig aan. Van leden die slechts lokaal lid willen zijn heb ik ook nog niet zoveel gemerkt. Leden willen gewoon lid zijn en bovendien, mensen die slechts een afdeling willen steunen kunnen toch gewoon donateur daarvan worden? Natuurlijk moeten afdelingen de ruimte hebben om eigen thema’s en profilering te kiezen, maar dit lijkt me niet de manier. Ik denk ook niet dat een kiezer geinteresseerd is in de vraag of een afdeling wel of niet ‘full-service’ is.

Deugt er dan niets aan het plan? Zo erg is het gelukkig niet. Er zijn ook een aantal zaken die ik van harte steun: het projectmatig werken, het onderhouden van een kennis- en kundebestand, de stimulansprojecten, de workshop D66 professional en de prijs voor verdienstelijke D66-ers. Maar het gevoel dat vooral blijft hangen na dit pamflet is de naar binnen gerichtheid. Vernieuwing wordt slechts gezocht in organisatorische structuren. If it ain’t broken, don’t fix it, lijkt hier van toepassing. Men moet de energie niet verbruiken aan bijzaken maar de koe bij de horens vatten.

Een tweede reden van bestaan.

De vraag naar de bestaansgrond is altijd een bewogen, een meeslepende en een terugkerende discussie geweest binnen D66. Het eerste partijcongres omschreef haar als een radicale democratisering van de Nederlandse samenleving in het algemeen en van het Nederlandse politieke bestel in het bijzonder. Dit is een tweeslag maar de nadruk heeft lange tijd gelegen op de laatste component, de staatsrechtelijke vernieuwing. Mede-oprichter Van Mierlo was dan ook een exponent van het democratisch radicalisme, een stroming die in de 19e eeuw was vermalen tussen socialisme en liberalisme. Hij had en heeft weinig op met nadere aanduidingen omtrent de visie en maatschappijbeschouwing van D66. Ideologieën hadden immers afgedaan en D66 was vooral een pragmatische partij. Na de periode Terlouw, die de partij als ‘redelijk alternatief’ wel meer in een eigen traditie trachtte te plaatsen met aandacht voor milieu, sociale vraagstukken en technologie, kwam Van Mierlo midden jaren tachtig terug met zijn rede ‘Een reden van bestaan’. Onze primaire bestaansgrond lag volgens deze rede nog steeds in de politieke vernieuwing.

Inmiddels zijn de kaarten wat anders komen te liggen. Nadat het anti-dogmatische van de partij een heel eigen dogma leek te zijn geworden, weet de groep Opschudding in 1998 dit dogma te doorbreken en slaagt ze er als eerste in de partij een ondertitel mee te geven. D66 heet vanaf dan sociaal-liberaal. Opschudding verwoordt het zo: “D66 bestaat als sociaal-liberale partij om een duurzame, democratische en open samenleving op te bouwen, waarin de mens zich ontplooit in solidariteit met anderen.”. Hiermee plaatst de partij zich in de vrijzinnige internationale politieke hoofdstroom van het links-liberalisme en in de politieke filosofie van het ontplooiingsliberalisme.

Met deze inbedding in het links-liberalisme heeft D66 een tweede reden van bestaan. Deze tweede reden vervangt de eerste echter zeker niet, de eerste gaat er in wezen in op. Het ontplooiingsliberalisme stelt de vrije maar verantwoordelijke mens centraal. En het wil de mens, in gelijkwaardigheid tot elkaar, invloed geven om zelf invulling te geven aan het leven en de maatschappij. Voor dat laatste is openheid en democratie noodzakelijk en daardoor wordt de oorspronkelijke bestaansgrond ook door de tweede geimpliceerd.

Wat moeten we nu met deze wetenschap? Om te beginnen constateren dat het boven alles plaatsen van onze kroonjuwelen van radicale democratisering niet noodzakelijk is om geloofwaardig een eigen positie binnen de politiek te bewerkstelligen. En dat is een rustgevende gedachte daar we ons met recht kunnen afvragen of die punten op dit moment de punten zijn waarmee we de kiezer kunnen winnen. Bij herhaling blijkt immers dat ze voor de kiezer niet de doorslag geven. De kiezer is van mening dat er belangrijker zaken zijn waar zij zich over moeten uitspreken. Natuurlijk bevat de eerder genoemde tweeslag in de radicale democratisering ook de maatschappij, en kan daar veel onder geschaard worden maar dat moeten we dan maar eens gaan doen vanuit een andere terminologie, eentje die de progressieve kiezer meer aanspreekt. Daar komt nog bij dat een aantal van de klassieke voorstellen langzaamaan wordt overgenomen door andere partijen. Denk bijvoorbeeld aan het dualisme en de gekozen burgemeester. D66 moet dan ook niet raar staan te kijken wannneer, mede door de politieke revolte van de laatste maanden, dergelijke ideeën zullen worden geimplementeerd door een regering waar het geen deel van uitmaakt, men zal immers wel moeten.

De komende tijd zal D66 zich moeten positioneren en profileren als progressieve, links-liberale partij. Dat betekent blijven overdenken wat onze beginselen betekenen voor praktische zaken en die link blijven uitdragen en uitleggen. Dat zal moeten door progressieve thema’s uit te diepen en als speerpunt neer te zetten. Het betekent ook het niet schuwen van de karakterisering ‘links’, iets wat ik nog wel eens proef. Links-rechts terminologie heet dan terminologie uit de oude doos. Natuurlijk hebben deze termen hun beperkingen en ontsnappen diverse vraagstukken in de moderne samenleving eraan. En ook het bekende kruis van Nypels is niet van vandaag of gisteren. Bovendien heeft de LPF laten zien dat er in beide kampen gewinkeld kan worden en vervolgens flink gescoord. Maar daarmee is niet de hele bodem weggeslagen onder de aanduiding ‘links’. Linkse, progressieve, politiek is politiek vanuit het engagement voor de medemens en zijn leefomgeving. Het is politiek die een moreel-ethisch uitgangspunt neemt en daarmee aan de slag gaat, omdat het alle mensen wil laten delen in een menswaardig bestaan. Simpelweg omdat we in de medemens onszelf herkennen hetgeen tot compassie leidt en omdat we weten dat een sociaal-contract nog altijd de beste garantie is voor een maatschappij voor allen. In ons geval kunnen we daar aan toevoegen dat het het besef betekent dat vrijheid niet voorbehouden mag zijn aan een bevoorrechte groep en dat vrijheid dient om mensen zich te laten ontplooien. Het zijn deze zaken die ons links maken en zorgen dat we een heldere visie dienen te hebben op duurzame ontwikkeling en globaliseringsvraagstukken, en op wat tot de publieke sector behoort en wat tot de private. Rechtse en/of conservatieve partijen hebben hier weinig mee, simpelweg omdat ze vinden dat de problemen niet bestaan of dat ze zich wel vanzelf oplossen.

Wat ons dus te doen staat is het uitwerken van deze punten in nieuwe thema’s. En dat hoeft niet moeilijk te zijn want de basis ervoor ligt ook nu al in ons programma besloten. Het komt er dus op aan dit uit te diepen en ermee de boer op te gaan als nieuwe speerpunten. Ik denk dat een en ander te vatten is onder de drie thema’s ‘Duurzame Ontwikkeling’, ‘Kennissamenleving’ en ‘Integratie en Emancipatie’.

Duurzame ontwikkeling.

D66 was de eerste milieupartij van Nederland. De cynici roepen dat die rol is overgenomen door GroenLinks en dat dit dus geen lonend onderwerp kan zijn. Daar denk ik anders over. We zullen deze draad weer moeten oppakken en moeten uitdiepen. D66 is altijd sterk geweest in het produceren van inventieve plannen voor het samengaan van milieu en economie. Econologie heet dat, waarbij er nooit water in de milieu-wijn mag om economische redenen. Maar duurzame ontwikkeling is breder dan milieu. Het gaat om het intact houden van onze leefomgeving en de aarde voor onze kinderen. Daarom ook zijn we tegen kernenergie, niet omdat we de techneuten niet geloven die zeggen dat een centrale veilig is maar omdat we het afval nog steeds niet kunnen afbreken en we het nageslacht niet willen opzadelen met verborgen kosten die we niet kennen. Het gaat om duurzame energie zodat we de aarde niet uitputten, het gaat om ‘de vervuiler betaalt’. En het gaat om wat er speelt binnen de zogenaamde antiglobaliseringsbeweging. Een beweging welke op het eerste gezicht bestaat uit anarchisten die winkelstraten kort en klein slaan maar waar bij nadere beschouwing verrassend veel ideeën en inzichten leven welke naadloos aansluiten op het D66 gedachtegoed. Vragen als hoe produceren wij voedsel, hoe produceren wij welvaart, wat is maatschappelijk verantwoord ondernemen, wat is de relatie tussen vrijhandel en armoedebestrijding? Maar ook, heel erg des D66s, wie praat mee over wat, hoe democratisch is de Wereldhandelsorganisatie? Al deze vragen onderstrepen tevens het evidente belang van Europese politiek!. Wat mij steekt in verkiezingstijd is dat wanneer er programmavergelijkingen worden gedaan op dergelijke thema’s, bijvoorbeeld door het RIVM of in het kader van de campagne Wereldburgers.nl, dat D66 dan niet in het voorste gelid staat maar in de tweede rij. En dat terwijl er binnen de partij voldoende ideeën en aanknopingspunten zijn. Mede hierdoor is D66 voor veel progressieve kiezers die zich laten leiden door het thema duurzame ontwikkeling, geen optie meer. Daar ligt dus een opdracht!

De kennissamenleving.

Investeren in kennis is in ieders belang. Onderwijs is de sleutel bij uitstek tot zelfontplooiing, tot integratie en tot emancipatie. De ambitie Nederland Kennisland vraagt om geld en beleid voor academisch onderzoek. D66 heeft veel ideeën en kennis in huis omtrent onderwijs en wetenschap. Het voert te ver dat hier allemaal aan te halen maar wel moet gezegd worden dat we daar dus op moeten inzetten. Het teruggeven van de scholen aan de ouders, de kinderen en de leraren, het voorzien in onderwijs met een menselijke maat, sluit naadloos aan op onze visie op vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Overregulering, tweede fase en studiehuis dragen daar niet aan bij. Onze nadruk op onderwijs dient ook gekoppeld te zijn aan de nadruk op technologie. Technologie is de basis voor econologie. Communicatietechnologie is van enorme betekenis voor emancipatie, voor openheid en voorlichting in overheidsbeleid, voor telewerken. D66 dient de leidende en agenderende partij te zijn op het gebied van de kennismaatschappij en de bijbehorende toepassingen. Eén onderwerp wil ik hier, als voorbeeld, wat nader aanzetten: de biotechnologie.

De genetische revolutie is een onomkeerbaar gegeven. Hier liggen legio mogelijkheden en net zo veel gevaren. Kennis is hier een productiefactor, kennis kan hier leiden tot milieuvriendelijke voedselvoorziening of tot inzichten en methoden die op den duur dierproeven overbodig maken. Investeren in de biotechnologie is noodzakelijk voor het ontwikkelen van medicijnen. Wetenschap kan niet aan banden gelegd worden en is a-moreel. Het kan ten goede en ten kwade worden aangewend. Daarom ook zal kennis altijd uitgedragen en uitgelegd moeten worden. Voorlichting is essentieel want de burger zit terecht met vele vragen over hoe we met nieuwe kennis moeten omgaan. Wat mag wel en wat mag niet? Mag kloneren? Hoe voorkomen we eugenetica en waarom? Hoe behouden we de natuur, bijvoorbeeld de biodiversiteit? Hoe voorkomen we het patenteren van genen en wat zegt dat over de financiering van onderzoek? Mag kiembaan therapie? Als alle mensen ongelijk zijn, maar wel gelijkwaardig, dan mag dat voor medische doeleinden. Maar mag een kind dan ouders aanklagen die dit nalieten? Nee, want dat is immers de keuzevrijheid van ouders. En hoe regelen we het toezicht op biotechnologische toepassingen en het toezicht op voedselveiligheid? (biotechnologie is geen bio-industrie!) Op al deze vragen zal de politiek heldere antwoorden dienen te verschaffen. Ook dat vraagt investeren in kennis en voorlichting. Immers, de politiek loopt maar al te vaak achter op de technologische werkelijkheid, net als in de informatiseringsvraagstukken overigens.

Integratie en Emancipatie.

Integratie is een belangrijk en beladen dossier. Een dossier ook dat jaren last heeft gehad van een vorm van politieke correctheid van linkse intellectuelen: het multiculturalisme. Het laatste jaar is het debat hierover in een stroomversnelling geraakt, mede door 11 september en de komst van Fortuyn naar de politieke arena. Mensen uit achterstandswijken vonden jarenlang geen open ogen en oren bij de politiek voor de problemen waarvoor ze gesteld werden. Dat heeft er nu voor gezorgd dat rechts er met een aaanzienlijk deel van stemmers uit de onderklasse vandoor is gegaan, een deel dat toch van linkse partijen veel meer te verwachten heeft.

Twee jaar geleden werd Paul Scheffer weggehoond om zijn beruchte stuk ‘Het multiculturele drama’. Inmiddels mag mede na het stormachtige succes van Fortuyn toch wel duidelijk zijn dat Scheffer een serieus probleem aansneed: er is een grens aan de relativering van de verworvenheden van onze cultuur. De gevarieerde en multi-etnische aanhang van Fortuyn geeft op z’n minst aan dat de antwoorden op immigratie niet zo simpel zijn als de multiculturalisten ons willen doen geloven. Door een jarenlange ontkenning immigratieland te zijn is het integratiebeleid veel te laat ingezet. Het beeld in de grote steden is er niet een van een kennismaatschappij, er is afgestevend op een kastenmaatschappij. Een maatschappij waar in wezen apartheid bestaat. Het multiculturalisme is een sociale constructie vanuit een dominante cultuur, die minderheden duidt in termen van slachtoffers.

Het is inmiddels ook gebleken dat generatiewisselingen alleen geen waarborg zijn voor integratie. Integratie betekent ook dat er beweging moet zitten in de identiteit van een migrant, die is dus niet statisch of absoluut. En die beweging, die emancipatie, zal gevonden moeten worden in de confrontatie met de moderniteit. En dat impliceert dus een krachtig verzet tegen cultuurrelativisme. Bij het vallen van de term ‘moderniteit’ moet overigens aangetekend worden dat men zich moet hoeden te vervallen in al te simpele karakteriseringen als zou de islamitische migrant nog in de middeleeuwen leven en derhalve achterlijk zijn. Ook dat leidt tot apartheidsdenken.

D66 is bij uitstek de partij die in dit dossier het verschil kan maken. Bij GroenLinks is het multiculturalisme tot een absoluut dogma verheven, iets waar ze niet overheen zullen kunnen stappen. Hun recente participatie in betogingen tegen racisme van onder andere de op dit punt wat al te simplistische beweging Nederland Bekent Kleur en de radicalere lieden van ‘Stop de Hollandse Haider’ onderstrepen dit. De anti-racismebeweging bevat in wezen zelf de nodige racistische elementen, in die zin dat men het apartheidsdenken overeind houdt. D66 heeft op dit dossier ook heel hard gewerkt de laatste periode. Met de nieuwe Vreemdelingenwet en de daaruit voortkomende enorme keldering van de instroom en de nieuwe Inburgeringswet klinken de alarmbellen van de LPF wat hol. Bovendien heeft Van Boxtel zich ingespannen voor tal van initiatieven ten behoeve van integratie en emancipatie in stadswijken. Maar op ideologisch vlak was hij het dossier niet meester, wat tot uitglijders heeft geleid. En hij was niet de enige, een dwalende Bob van den Bos schreef in de Volkskrant: “Culturen, godsdiensten, normen en waarden zullen zich gaan vermengen, in welke samenstelling dan ook.”. Dit in een poging de kanttekeningen van Balkenende bij de multiculturele samenleving te duiden als een achterhaalde monocultuur waarvan Fortuyn een laatste stuiptrekking zou zijn. Onvoldoende werd afstand genomen van het multiculturalisme en haar versluierde vormen (interculturalisme) en onder woorden gebracht wat de samenleving bijeenhoudt en wat onaantastbaar is: de mensenrechten.

Over mensenrechten valt nooit te onderhandelen (dus ook niet onder het mom van godsdienstvrijheid). De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is immers vanuit onze liberale mensbeschouwing met recht universeel. Wat mij betreft overigens niet vanuit een ontologische waarheid maar, wederom, vanuit de gedachte van het sociaal-contract en de compassie voor de medemens. Mensenrechten zijn er dan ook niet voor niets, ze zijn er omdat we hebben geleerd hoe de zaak kan ontsporen wanneer er een loopje mee wordt genomen. Omdat het de effectiefste manier is om ons te wapenen tegen het menselijk tekort. Mensenrechten gaan over zaken als de vrijheid van meningsuiting, rechtsgelijkheid, onschendbaarheid van de persoon, vrijheid en een basale vorm van onderwijs, en dit alles onafhankelijk ras, geslacht, overtuiging of afkomst. Al deze zaken dienen wij recht overeind te houden in onze dialoog met migranten zoals we dat ook dienen te doen in ons buitenlands beleid.

Tot besluit: Ongehoord!, zorg voor hartstocht en een pak kaarten.

Wat nu te doen? Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat in mijn ogen de analyses en vernieuwingsvoorstellen te veel vastzitten in een structuurdenken. De gedachte dat het goed komt wanneer we processen en organisatie anders inrichten schiet te kort. Natuurlijk is communicatie wezenlijk maar zij veronderstelt een boodschap. Een veel gehoorde suggestie momenteel is dat we veeleer een actiepartij dienen te worden. De Jonge Democraten noemen zelfs een actiecentrum en actiebereidheid zoals we die kennen van de SP. Geen woorden maar daden. Los van het feit dat er bij de D66 leden een andere mentaliteit bestaat dan bij de SP en dat het activisme op die leest daardoor wel eens zou kunnen verzanden, lijkt hier vooral gesuggereerd te worden dat onze typering van ideeënpartij achterhaald en vruchteloos is. Dat lijkt me een misvatting en de tegenstelling is bovendien gezocht. Het lijkt bijna een open deur maar actiepartij en ideeënpartij zijn twee kanten van dezelfde politieke medaille. Ze kunnen niet zonder elkaar. Je voert actie met prikkelende ideeën en je ontwikkelt ideeën om er mee de boer op te gaan. Het genereren van nieuwe en consistente ideeën is onze kracht en dat moeten we vooral zo houden. We moeten nieuwe thema’s ter hand nemen en op die terreinen de beste ideeën uitdragen. Ik heb aangegeven welke die thema’s in mijn optiek kunnen zijn en welke vragen daar kunnen spelen. Wanneer D66 sterk terug wil komen moeten naast de vuist de kaarten op tafel!

Daarbij moeten we ons hart laten spreken. Er moet passie zijn. In het bedrijven van politiek maar ook in de boodschap. Dat betekent dus een progressieve, links-liberale positionering. Wij staan voor een rechtvaardige, humane en duurzame leefomgeving, wereldwijd. En met reden. Een enkeling waagt ook de suggestie tot progressieve samenwerking. Daarin zijn we ooit bedrogen uitgekomen natuurlijk maar toch mogen we deze suggestie niet al te snel als idioot, fataal of programmatisch abject in de hoek zetten. Wel is duidelijk dat wij een eigen positie innemen, een (tweede) reden van bestaan hebben. De andere linkse partijen hebben immers geen liberale maar een collectivistische mens- en maatschappijvisie. De discussievraag in deze is dan ook in hoeverre de politieke beleidsvoorstellen die uit de verschillende maatschappijvisies voortkomen gelijk zijn danwel verschillen. Met andere woorden: is een doorbraakgedachte ook hierin denkbaar? En wat kan samenwerking inhouden en resulteert dat in electoraal gewin van de samenwerkende partijen of juist niet?

Het is een goede zaak dat Ongehoord! onstaan is. Dit platform zal zich over de geopperde vragen moeten buigen. Wat moet er vernieuwd worden en hoe doen we dat? Mijn antwoord is duidelijk: de kaarten moeten op tafel en Ongehoord! zal suggesties moeten doen hoe we deze kaarten willen vormgeven en kunnen inkleuren. Inhoudelijke verdieping op thema’s, ideeën ontwikkelen en resultaten claimen. D66, maak het verschil!

No comments yet.

Leave a comment

You must be logged in to post a comment.